Wolfsblog
De Spiegelkamer


Er is een kasteel. Een kasteel achter hoge kantelen, gebouwd uit meerhoekige stenen perfect in elkaar gepast tot massieve muren, met een valhek, ophaalbrug en schietgaten. Er zijn zware ronde torens, naar elke windhoek één, op hun verweerde toppen talloze groteske gargoyles die met hun bovenwereldse koppen uitkijken over het land; de zacht glooiende heuvels hier, de ruige bergen daar, in het oosten het meer en achter het woud in het westen de bloedrode zon.
Dat is mijn kasteel.
Dat is mijn vlag die daar wappert. Kom over de brug en ik leid je rond.

Kijk, hier op de binnenplaats de stallen en bijgebouwen met vrolijke rode daken. Hier houden we feesten rond de grote kampvuurplaats, bonfires met muziek, dans, drank en eten. Als we dan naar binnen gaan, kom je eerst langs de aangenaam warme keuken – ah, de geuren! De kleuren! De fijne smaken, de kruiden! En dan zijn er natuurlijk de kamers en salons. De zonnige eetzaal. De tropische plantenkamer. De muzieksalon. De blauwe salon en de rode salon, de jachtkamer, de bibliotheek met zeldzame werken en antieken tot aan het plafond, mijn studeerkamer. Volg je die smalle wenteltrap hier dan kom je boven bij de slaapkamers, de badruimtes en in de andere vleugel de gastenverblijven. Die schilderijen aan de muren, de tapijten, heb ik verzameld op mijn reizen, net als de wapens en beelden die je tegenkomt. O, en in de kelders hebben we wijn en voedselvoorraden, en onze eigen waterbron. Uit dat raam zie je de akkers. Inderdaad, dat is een tuinhuis. In de top van de noordertoren is een planetarium!
Dat kasteel ben ik.
Kijk rustig rond.

Achter deze afgesloten deur naar deze donkere toren vraag je? Vraag het niet, dat is strikt privé terrein. Alleen ik heb de sleutels. Wat daar is? Vraag het niet. Wat daar is? Dat is het duister, zo nachtzwart dat de kaarsen er schijnen maar geen licht verspreiden. Daar is de spiegelkamer. De spiegelkamer. En daarbinnen: alle duivels uit de hel, alle engelen en demonen, alle grote krijgsheren, alle legendarische minnaars, alle verstotenen, alle woede van de wereld. Daar wordt vervloekt, geofferd en bezworen. Dat is de kamer waarin volkeren vallen en de wereld vergaat; de kamer van Auschwitz, My Lai en Hiroshima; van Nero, Dzjengis Khan, Vlad Tepes, Gilles de Rais, Markies de Sade, Chikatilo, Bundy, Ramirez, Manson. Daar wordt gifgas geproduceerd en worden atomen gesplitst. Daar raast mijn woede in het woeden van de wereld in de duizendvoudige weerkaatsing van de spiegels die alles laten zien vanwaar het komt: van mij in de wereld, de wereld in mij. Dat metselwerk hier in de muren van de duistere toren? Daar laat ik mijn lijken, als je het weten wilt. Mijn verminkte en gemartelde lijken: hun bloed is het tapijt van de spiegelkamer. Je wilde het weten. Hier gebeurt alles. Hier achter de zwaar vergrendelde deuren; zonder beperking, zonder restrictie, zonder moreel, vanuit het diepst van de krochten van mijn ziel. Hierbinnen. In ijzige kou en helse hitte.
Er is niets hier wat mij spijt.

En jij, wat doe jij hier, halverwege de wenteltrap, bijna boven bij de deur van de spiegelkamer; wat doe jij hier? Ik bracht je hier, zeg je? Neenee, geen sprake van. Bracht ik je hier?
Maar nu je er eenmaal bent, begrijp je, nu je de duistere toren dan toch bent binnengetreden, kom verder, kom door de laatste deur, kom binnen in mijn diepste duister.
Want nu je hier eenmaal bent – kan ik je niet meer laten gaan. 
Lees meer...   (3 reacties)
En weer is de kou uit de lucht en heeft de eindeloze herfst met druilerige regen de regie teruggenomen. Zouden die twee daagjes bijna-vorst de trekvogels hebben gesommeerd nu toch echt maar eens te vertrekken naar overwinteringsoorden? Ik heb een paar weken terug ganzen zien overvliegen, hun opgewonden gak-gak-gak galmde lang na in de lucht maar de beloofde winter kwam niet. Nog steeds staan zomerkruiden in volle groei in mijn tuin.
De seizoenen hebben hun charmes, ieder voor zich. De zomer is mijn minst favoriete seizoen , maar tuinieren doe ik dan wel weer graag en ik breng vrijwel dagelijks tijd door met het verzorgen van alles wat groeit & bloeit achter mijn huis.  De herfst vind ik prachtig om haar kleuren en geuren, het oogsten en verzamelen, de rustige voorbereiding op de lange avonden en nachten van de winter waarin alles tot stilstand komt in de trage inertie van de natuur. Van uitbundig naar ingetogen; van extravert naar introvert, introspectie. En dan opnieuw het opkomen van het hernieuwde leven, pril groen in voorzichtige verkenning; de zachte zoete geuren van de lente, de terugkeer van het leven. Elk van de seizoenen heeft zijn charmes en elk van de seizoenen zijn gebruiken en rituelen.

Begin februari verscheen in de Volkskrant een artikel van Olaf Tempelman over winterrituelen in Roemenië:
"Goedenavond beste burgers,
Hier is de beer uit de bergen,
Als u goed voor hem bent,
Gaat hij voor u enkele malen door de knieën!"
Het ritueel van de dansende beren is vermoedelijk het oudste pre-christelijke winterritueel uit de Roemeense landstreek Moldavië, waar van oudsher de meeste beren zaten. Op andere plekken, waaronder de zuidelijke streken Wallachije en Oltenië, bestaat nog een enigszins vergelijkbaar gebruik met geiten en bokken.
Dansend en begeleid door tromgeroffel en koperblazers dalen de beren in groten getale af uit de bergen. Ze paraderen door de straten, zwaaien met hun achterwerken, zakken door hun knieën. Zo nu en dan gieten ze vocht uit plastic tweeliterflessen naar binnen: zelfgestookte pruimenjenever is de brandstof die deze beren dagen- en soms wekenlang aan het dansen houdt.

De dansende beren zijn een bezweringsritueel waarin de mens zijn kwetsbaarheid en onderworpenheid aan de natuur erkent. Als de beren niks meer te vreten vinden in de bergen, dalen ze af naar de dorpen en vreten wat daar te halen is - bijvoorbeeld mensen. Je kunt de beren niet de baas maar door goed voor ze te zijn [by proxy] kun je ze misschien wel gunstig stemmen. Natuurlijk weet iedereen dat dit maar een symbolische bezwering is, een vorm van Magisch denken, maar dit soort denken en handelen is net zo oud als de mens. Het zet ons terug op onze plaats als onderdeel van een veel groter geheel waarover wij, hoe graag we het ook willen, niet de baas zijn. Een besef van kwetsbaarheid, verbondenheid en erkenning van nederigheid houdt ons god-gevoel in evenwicht en maakt dat we des te uitbundiger kunnen vieren wanneer alles weer zonder grote verliezen is voorbijgegaan. Een foto van zo'n beer-danser hangt boven mijn bureau; een prachtig beeld van een trotse man in dikke berenvacht, ik zou bijna zeggen: Ecce Homo, zie de mens, naakt onder zijn gestolen huid.

Dat is de mens waarvan ik houd. De mens die niet vraagt, nee zeikt, "waarom IK", maar die weet: "Dat had ik ook kunnen zijn". Dat besef van sterfelijkheid dat maakt dat hij elk moment van zijn leven grijpt als was het zijn laatste, in voor- en tegenspoed. Niet het verwende snotjong dat jengelt dat het niet eerlijk is als hem iets overkomt, of zijn dierbaren, of zijn land; de mens die uitstijgt boven de programmering van zijn favoriete TV-programma's en de stompzinnige gedachte dat hij alles de baas is zolang de olie maar vloeit. Die denkt dat als de olie op is, er vast wel een planeet is gevonden waar we fijn opnieuw beginnen, niet vanaf nul maar vanaf nu.

Wat voelen de kinderen nog van de wisseling der seizoenen, nu ze voor een afstand van twee straten nog naar school worden gebracht met de auto, zomer en winter, lente en herfst? Hoe kun je je verbonden voelen met de natuur en daarmee het grotere geheel, als je nooit de regen op je gezicht voelt, nooit je hijgend uitgeblazen adem tot kleine kristalletjes ziet vormen, nooit de langzame verkleuring van de bomen waarneemt, nooit moeite hoeft te doen om ergens te komen tegen de wind in, op eigen kracht, nooit je eigen beren hoeft te bezweren? Hoe kun je mens zijn als je niet je plaats kent en daarmee tot schromelijke zelfoverschatting komt?

Geef ons beren en Magisch Denken; leen mij je vacht, Wolf, geef mij je kracht, Beer; leer me dansen, dansen, dansen!
 
[29-12-06] 
Lees meer...   (5 reacties)
In een aanval van buitensporige dipheid besefte ik vanavond hoe ongelooflijk umsonst eigenlijk alles is wat wij hier ondernemen. 99,99% van ons mensjes zal nooit van meer betekenis zijn dan de kat van de buren: leuk beest, ergerniswekkend soms, en als ie dood is, dan denken we af en toe nog aan de amusante aanvaringen op de schutting en in de kruidentuin, maar verder? Niets dat node gemist zal worden behalve door de mafkees die het beest iedere dag te vreten gaf en in ruil daarvoor soms in een ongemakkelijke houding kattepoes mocht aaien. Allemaal vervangbaar. Wat laat je werkelijk achter op een paar getrouwen na? Wat schrijfsels hier, wat artikelen daar, maar niets van genialiteit of buitengewone bijzonderheid. Het is niet iedereen gegeven een Einstein of Hawking, een Elliot, Tolkien, Jim Morrisson, een Don Corleone, een Fallaci of een Rushdie, of een Dr. LaVey te zijn. Zou je het gaan proberen te zijn dan was je het al op voorhand niet omdat je moest proberen het te zijn. We vonden niets uit, we omarmden de vondsten. We maakten niets nieuws, we gebruikten wat gemaakt werd. We schreven geen grote boeken maar lieten ons werk na in een la; hier een prijsje, daar een publicatietje, maar nooit die grote ontdekking, nooit die geweldige doorbraak, niet omdat we het niet probeerden maar gewoon omdat wij niet dat waren, omdat 99,99% van de mensheid dat niet is, omdat wij enkel van betekenis zijn in die hele kleine kring van lovers & haters die na verloop van tijd zelf ook gewoon doodgaan en wier krassen in het tafelblad zullen worden weggepolijst met de tijd. Omdat wij het lichaam zijn van de werkelijk grote geesten en verder niets. Met een beetje pech maak je naam als spectaculair moordslachtoffer of - al iets beter - als bijzondere moordenaar. En meer zit er niet in. En als het er al in zit, komt het er niet uit; of als het er al uit komt, wordt het niet opgemerkt.

Mijn buren hebben niet eens een kat. Misschien ben ik ook wel zo'n kat van de buren die geen kat hebben. Al die grote emoties, geweldige ontdekkingen, bizarre gebeurtenissen, vlinderslagen, zullen nooit echt beklijven omdat ik een kat ben die niemand heeft. Alle gevangen muizen worden vervangen door hordes nieuwe en dat ik de vijver leegviste mag hoegenaamd geen naam hebben. De kat die de laatste walvis uit de oceaan hengelt - DAT is een Kat van Betekenis. Wij krabbelaars schrijven geen geschiedenis maar maken hem mee.
Als je ouder wordt, zie je je eigen helden van weleer vervallen tot schimmen van wat ze waren, door ziekte meestal, en steeds meer van hen gaan dood. Ouder worden is mededogen krijgen, sokkels worden stoelen waaruit ternauwernood nog opgestaan wordt. Je Grote Dichters raken de weg kwijt, en enkel zij die stierven voor ze oud werden, behouden hun bovenmenselijkheid.
Ik wil niet oud worden, wel onsterfelijk.
En ik wil een kat. Die noem ik Kaassie.

PS. Na het schrijven van dit blogje herinnerde ik me ineens dat ik een kat heb gekend die Kaassie heette. Dat was een behoorlijk vage kat maar alle katten zijn eigenlijk best wel vaag. Kaasie de Kat kon ondersteboven aan een raam hangen op een manier die een vleermuis 'm nog niet na zou doen. Kaassie had een IQ-probleem en kon geen trap af zonder te struikelen over zijn staart, maar alle duivels wat was die grappig. Kaassie hoorde bij lang uit beeld verdwenen baassies, zoals dat gaat in het leven, soms helaas, soms onbegrijpelijk, maar dat past wel in de grote dipheid die me nog steeds bevangt deze dagen. Hail Kaassie, de vleermuiskat.
 
[31-1-07] 
Lees meer...
Waarnemen doen we meestal vanuit rechtstreeks perspectief, de ogen gevestigd op dat wat we [willen] zien. We gebruiken oren, reuk en tast voor de completering van het beeld, als dat nodig is. Wat we waarnemen, is gelabeled. We zien straten, huizen, mensen, verkeer, bomen, regen tegen het raam. We denken niet voortdurend aan het benoemen van wat we waarnemen, maar dat proces gaat continu door. Alles wordt benoemd.

Soms zie je iets wat je niet direct kunt benoemen. Vanaf een afstand lijkt een object op iets heel anders, iets wat helemaal niet op zijn plaats is daar waar je het ziet. Kom je dichterbij, dan blijkt je brein een grapje te hebben uitgehaald en is dat konijn midden op de weg een stuk krant, die man in de berm een grillig gevormde boomstam. Je hond die al druk alarm aan het blaffen was, houdt besmuikt de bek en doet alsof-ie ook alleen maar even lekker uit zijn bol ging, voor de fun.

Soms zie je wel wat je ziet en blijkt het object gewoon vreemd. Ik was eens vroeg in de morgen midden in een bos waar op een bankje een clochard-achtig tiep voorovergebogen lag, zo bevroren in zijn houding dat ik meende een lijk te hebben gevonden. Dichterbij komende bleek hij omringd door bierblikken; neen hij was niet dood, enkel straalbezopen. Op dat uur van de dag en op die plaats was dat niet wat men verwacht waar te nemen en een gevoel van bevreemding overviel me even.
Een week later in een ander bos zat op weer een andere bank een mensachtige gestalte, even doodstil als die van de week ervoor, maar hier was iets nog vreemders mee, bleek bij het naderen: deze had geen hoofd. Hoofd in kapuchon, veronderstelde mijn brein, dat graag het plaatje wilde afmaken - maar neen, er was geen kapuchon dus ook geen hoofd daarin. Er was gewoon geen hoofd. Dan toch eindelijk het lijk gevonden? We kwamen omzichtig dichterbij en toen keek ik precies zoals mijn hond kijkt als-ie als een idioot tegen een vuilniszak heeft staan blaffen. Het was een mensachtige gestalte zonder hoofd, maar het was zo'n stropop, zo'n "eindelijk vijftig toeter als je langskomt"-pop, zonder hoofd inderdaad, waarschijnlijk ontvoerd uit een voortuin in een straat die volhing met stuitend grappig bedoelde postertjes aan elke boom en lantaarnpaal. Misschien hebben de ontvoerders hem onthoofd, het hoofd in een plastic zak gedaan en die ergens gedumpt waar een andere dwaze voorbijganger hem zal vinden. Ook die zal even een héél vreemd gevoel krijgen.

Dat zijn lollige zaken! Het doet me denken aan de fameuze Rorsach test. Dat je naar vage inktvlekken moet kijken en aan een serieus kijkende gast moet vertellen wat je ziet. Al die vlekken zijn van buitengewoon gewelddadige, seksueel-aggressieve, demonische aard, en dat weet de serieuze gast heel goed. De vraag is: gaat zijn cliënt zeggen wat-ie ziet, of gaat-ie liegen dat-ie vlinders, bloemen en vogeltjes ziet? In het laatste geval is het meteen duidelijk dat cliënt niet eerlijk is, een heel spectrum van zijn gevoelens en driften zwaar onderdrukt, zeer waarschijnlijk zogenaamd negatieve emoties projecteert of omzet in iets anders wat er feitelijk helemaal niks mee van doen heeft, kortom heel wat behandeling nodig zal hebben om hem tot een evenwichtig, rationeel benaderbaar mens te maken.
 
Je kunt met jezelf Rorsachje spelen; laten we het "schaduwkijken" noemen, "indirect waarnemen". Je kijkt bijvoorbeeld niet naar objecten maar naar hun schaduw. Vooral 's nachts geeft dit verbazingwekkende effecten. Je kunt je voorstellen dat de schaduw het origineel is en het originele origineel de schaduw; speel maar wat, als het je maar dat licht verontruste gevoel geeft dat niets is wat het lijkt te zijn, als je er beter naar kijkt. Kijken vanuit de hoeken van je ogen doet het ook goed. Alsof je de voorwerpen om je heen betrapt juist voor ze de vorm aannemen die ze verondersteld worden standaard te hebben, voor jouw plezier. Zo worden details opgenomen in hun groter geheel: een opvliegende kauw wordt de golfbeweging van de zwerm kauwen in de lucht, de slag van één vloeiende vleugel, een verfstreek aan de hemel. Inzoomen - uitzoomen - loslaten. Zien.

Het is het Rorsach-effect misschien dat maakt dat ik objecten in verval zo schitterend vind, zo overweldigend mooi. Ruïnes van eens majestueuze kastelen; tempels, oude graven, afbraakwijken, gebroken bomen, gecrashte auto's, gezonken schepen, verbrande warenhuizen, ontvleesde botten, afbladderende verf, de dode duif in de boom die dag na dag meer veren verliest. Het matras dat, weggeworpen in een veld als een lelijk stuk afval, wordt opgevreten door de planten, wegzakt in de grond, de kleur van het mos overneemt en op een dag één is geworden met het terrein waaraan het werd gegeven. Het huis dat, onlangs nog bewoond, overwoekerd door onkruid steen na steen prijsgeeft en zijn vorm verliest; tot het de schaduw is van wat het ooit was. Het verloren lichaam dat langzaam terugkeert in de aarde. En uit de schaduw kan uiteindelijk alles ontstaan. Niets is onmogelijk. De wolf heft zijn bebloede kop en huilt.

Het is de verlatenheid van het verval dat het zo schitterend maakt. Verval dat nog niet verlaten is, is niet mooi; het is gewoon verval. Vies, deprimerend. Stinkend. Verlaten verval begint aan een reis die zij alleen kan maken. Alles sterft alleen. De toeschouwer is een reiziger op doorreis; het verval blijft waar het is, als een ijkpunt in de nacht. Een magisch baken van mogelijkheden.

Come shadowwalk with me.
 
[19-02-07] 
Lees meer...   (2 reacties)
Eerst het bonken, bonken op de deur. Maar ik heb niks gedaan! Maar je hebt het gedacht! Je hebt het gewild! Niemand is onschuldig. Onschuld bestaat niet.
...En ik val, in donkere zeeën van zevens, zeven zeeën van zeven maal zeventig zevens omlaag, omlaag, omlaag. En ik val dieper. Barakken. Eindeloze rijen barakken. Kinderen, de kits van de natie, aan hun incompetente, incapabele, maar raak fokkende ouders onttrokken, allemaal weg en achter het hek. Electronisch Patiënten Dossier, Electronisch Kinder Dossier, enkelbanden, nekbanden, gagballs, jeugdzorg, wachtrijen, kinderkampen. Ubersturmfuhrer J.P. grijnst zijn frettentanden bloot. Veroordeelde pedofielen kampcommandanten hangplekken voor de jeugd. Gehangenen draaiend in de westenwind. Zomerstorm. Abba Abba Abbadon, verlaat uw moeder, verlaat uw vader, in Naam van de Regering! Verlaat dit ouderlijk paar NU! Hgrashmabladahaghaghagai! Electronisch toezicht, electronische dataverkeeropslag, electronisch biopaspoort, electronic brain. Allen robots in naam van de godsvruchtige Regering, geen verlangens, geen lusten, geen begeerte, geen afgunst, geen wil, geen leven. Kampland, oorlogsland, terreurstaat, maskers, maskers op, maskers over vertrokken tronies. Demonentronies onder uitgestreken engelenmaskers. Honden, katten, gevilde varkens. Vliegende vissen. Reuzen op aarde. Brandende kruisen. Zeven plagen.
En ik val dieper. De golven van de A2, het eeuwig ruisen van het verkeer, alles komt tot stilstand en verdwijnt. De weg breekt en tussen brokken asfalt val ik dieper en dieper. Een klein blond meisje. Een zwarte baby met AIDS. Live aids. Zwarte materie. Een veelkleurige Dark Matter DNA-spiraal. Dat kan niet. Dat kan wel. Ik val voorover en dieper.
Evil smiley. Koortszweet. Koude koorts. Papaver Somniferum bloedt melk en honing op het dorre land, het verzonken land, het in normen en moralen verdronken land, het gevallen land. Nooit meer slapen. En daar sta jij. Juist nu, niet nu, verdwijn. En ik breek in zeven donkere zeeën in zevenmaal zeventig stukken uiteen en ik verdwijn.
Mag het licht uit. Mag het licht uit. Stop het bonken, het bonken op de deur.
 
Lees meer...   (8 reacties)
    Hij bezweert de wereld met zijn hand, en de stemmen in zijn hoofd.
 
Signaalrapport #26.513
Gescheiden zwangere vrouw. Licht depressief. Signalering door: huisarts. Risicofactor: aanwezig, matig.
 
    Ze zeggen dat hij op hem lijkt, maar hij heeft hem nog nooit gezien. Van deze ziet hij teveel. Zijn moeder ziet hij niet, door de pillen en de drank. Hij ziet de woede van de vader die niet zijn vader is, gloeiend magma in de vulkaan.  Hij zorgt dat hij niet wordt gezien. Veilig is het nergens; troost vindt hij bij niemand. Hij zwijgt en kijkt.
 
Signaalrapport #35.131
Groei blijft enigszins achter. Ontwikkeling conform verwachting maar kind maakt geen contact en spreekt niet. Gezinssituatie enigszins instabiel. Signalering door: consultatiebureau. Risicofactor: aanwezig, matig.
 
    Hij moet aan tafel maar ze hebben gevochten en hij is bang. Als hij komt, zullen ze hem pakken. Als hij niet komt, zullen ze hem ook pakken. Hij is lief geweest, maar hij lijkt op hem. Hij zal aan tafel gaan, alle regels volgen, maar ze zullen zich aan hem ergeren want ze hebben gevochten. Hij zal worden weggestuurd. Hij wil niet worden geslagen. Hij zal lief zijn. Ze zullen hem pijn doen.
 
Signaalrapport #39.514
Kind is bovenmatig teruggetrokken en maakt geen visueel contact. Praat niet. Maakt geen aansluiting met leeftijdsgenootjes. Is meer dan gemiddeld creatief maar mist de fijne motoriek. Slaapt en eet volgens moeder [gescheiden, historie van depressie, sinds twee jaar vaste relatie] goed. Zorgpunt: mogelijk ontwikkelingsstoornis. Signalering door: groepsbegeleider groep 2. Risicofactor: aanwezig.
 
    Hij leerde vroeg lezen en schrijven. Hij heeft sindsdien altijd als bezeten gelezen en geschreven. Wat hij schrijft, bewaart hij niet. Ze zouden het opnieuw tegen hem gebruiken. Hij schrijft over verdwaalde honden en moordenaars. Hij speelt spelletjes met woorden, rijgt ze aaneen in schijnbaar betekenisloze reeksen, maar alles heeft betekenis en alles is een schild. Hij praat met de stemmen uit zijn boeken, maakt met hen hun verhalen af. Hij is een tijdje heen en weer verhuisd, van moeder naar tante naar oma naar moeder toen die terug was van haar reis. Hij heeft nooit foto's gezien van haar reis. Ze heeft even niet gedronken, maar dat duurde korter dan de reis. De vader die niet zijn vader is, neemt pillen voor zijn spieren. Voor de sportschool. Hij ziet kolkend magma uitspatten in lava.
Hij is altijd waakzaam. Hij hoort en hij ziet alles. Maar praten doet hij niet. Hij is bang dat als hij zijn mond zal openen, daar enkel een lange schreeuw uit zal komen en dan zullen ze hem slaan. En dan zullen ze hem uitlachen. Dus hij houdt de schreeuw in als hij 's nachts luistert naar de ruzies, en 's morgens ruimt hij zwijgend de scherven op voor zij er weer zijn. Hij maakt een ontbijt en gaat het huis uit. 's Middags zwerft hij over straat. Alleen, want andere kinderen vinden hem raar. Maar hij heeft zijn vrienden in zijn hoofd en zijn stemmen uit zijn verhalen. Hij praat met hem, in zijn hoofd. Later wordt hij dierenarts, maar hij is bang van bloed. Hij maakt reeksen van handelingen om te bezweren, en als hij die maar volgt, is alles veilig.
 
Signaalrapport #80.989
Licht lichamelijk achtergebleven kind, intelligentie bovenmatig, emotioneel disfunctionerend. Mogelijk disfunctionele gezinssituatie [beeldvorming moeizaam omdat beide ouders moeilijk bereikbaar zijn]. Vermoeden richting autismespectrum. Schooladvies: VWO. Volgadvies: Sociaal Pedagogische Dienst of Jeugdzorg. Op wachtlijst voor diagnosticering geplaatst. Signalering door: schooloverdrachtscommissie groep 6, eindrapportage. Risicofactor: hoog.
 
    Uiteindelijk is hij getest, na lange wachttijden op verschillende wachtlijsten. De vader die niet zijn vader is, noemt hem standaard mietje, maar hij droomt van het langharige Japanse meisje uit zijn klas. Hij leerde de wereld te bezweren met zijn hand, de stemmen in zijn hoofd. Hij ordent de wereld, alles heeft zijn plaats, zijn plaats onder de schaduw. Na de testen kwam hij op een wachtlijst. Hij vond leraren en mentors. Op een dag was er muziek, magie. Er was taal. De taal die hij niet sprak maar wel ontleedde, stripte tot op de naakte betekenis en opnieuw vorm gaf. De dromen, nachtmerries, die hij kneedde en hervormde. Ze zeggen dat hij vreemd is, maar de vreemden, dat zijn de anderen. Zijn hele leven staat hij op wachtlijsten. Zijn hele leven staat in zijn dossier, maar daar staat niets. Ze weten niets. Ze bezweren zijn leven met woorden zonder inhoud. Hij zal zijn dossier waarin niets staat, met zich meedragen, de rest van zijn leven, beoordeeld worden, veroordeeld worden, op woorden zonder betekenis.
 
Signaalrapport #141.317
Sluit basisvorming af met excellente prestaties. Sociale performance zwak tot matig. Begeleiding is nooit goed op gang gekomen maar dit lijkt in retrospectief niet van belang. Resumerend: casus onduidelijk, ouders langdurig stabiele relatie, vermoeden van erfelijke disfunctie via biologische vader [niet bekend]. Positief getest op mogelijke stoornis in het autistische spectrum. Kan zich goed handhaven maar functioneert slechts op individuele basis. Beroepsperspectief: twijfelachtig. Risicofactor: hoog. Dossier gesloten en opvraagbaar onder nummer #141.317.M, onder opgaaf van aanleiding.
 
    Hij heeft geleerd de wereld te bezweren met zijn hand, en de stemmen in zijn hoofd.
 
Lees meer...   (9 reacties)
Soms probeer ik mij oneindigheid voor te stellen. Vooral bij volle maan wil dat nog wel eens toeslaan. Ik kijk naar buiten, naar de lucht, en ik denk aan hoe die prachtige donkere hemel van ons zich verder uitstrekt, het heelal in, het universum in. Ik denk aan spiraalnevels, exploderende sterren, zwarte gaten. Ik volg het spoor naar buiten tot aan de kromming van het heelal. Misschien kromt het niet maar gaat het enkel steeds maar trager... dan is het universum dus of een enorme bol, of een soort van zee die uitkomt op..... ja, waar? Het kosmische strand? Wat is dat dan, dat kosmische strand? Of als het een bol is, waarin drijft die? Als de kosmos iets is, drijft ze dan in niets - en wat is dat niets; en op welke stranden mondt het niets uit?
Ik kan me met geen mogelijkheid een voorstelling maken van de oneindigheid. Of het nu stof, vorm of tijd is, een spiegelbeeld in een spiegel, ik ga verloren in de onstoffelijkheid, tijdloosheid, spiegelrand die daar in mijn simpele logica op volgt. Ik tol al bij het eerste zwarte gat! Om over wormgaten nog maar te zwijgen.
Als ik helemaal tot de rand van de kosmos ben gekomen, draai ik dan ook meestal subiet om. Mijn tijd om boldly te gaan waar niemand ooit is gegaan - of waar velen me voorgingen - komt nog. Ik draai dus om en keer in mezelf terug en ga naar binnen, cellen, structuren, DNA-spiralen. Dezelfde spiralen die het universum doen draaien.
Tabula smaragdina: zo boven, zo beneden. Ik ben een kleine kosmos in de kosmos.
En wat als mijn kleine kosmos niets anders is dan een DNA-spiraaltje, een cel, in een gigantisch lichaam dat het Al bevat?
Als al mijn streven, sneven, beven, minuscule bewegingen zijn in een onbevattelijk groot geheel?
Zie de mens. Krioelend als mieren, bouwend als mieren, op oorlogspad als mieren, vergankelijk als mieren. Bacteria op de oppervlakte van de planeet. Onbetekenend in het Grote Geheel. Zal ze verdwijnen, zal er een nieuwe vorm verschijnen, zal de wereld vergaan, zullen nieuwe werelden ontstaan? Zal ik daar deel in zijn, in een vorm of een andere? Keert alles in zichzelf terug, komt alles uit zichzelf voort?
 
Gedachtes waar het je al heel snel van duizelt. Krachten en machten die mijn verstand te boven gaan. En toch prettig om van tijd tot nietbestaande tijd in rond te hangen. Want niets hier is blijvend en in dat licht bezien zouden wij ons kunnen verheugen in absolute rust. We leven onze levens, we trekken onze sporen, maar uiteindelijk, in het grote geheel, is het allemaal niets om je serieus over op te winden.
Als je dat beseft, begrijp je ook dat het zo verschrikkelijk futiel is om bang te zijn. Om de kleine menselijke angsten zo groot op te blazen als we doen. Om al die flauwekul over of je goden nu schrijft met een hoofdletter A of 42. Of ik morgen failliet ga of ondersteboven word gereden door een scooter. Wat gebeuren moet, gebeurt.
Dat is geen fatalisme. Ik zeg niet dat er niets moet gebeuren! Er moet gebeuren wat er gebeurt! Daarom is angst iets wat je het beste bestrijdt door er doorheen te gaan. Niet er omheen, niet er langs, niet er onderdoor of overheen. Niet terug. Maar er dwars doorheen. Je angsten verdwijnen door ze onder ogen te zien en te confronteren. Niet door krampachtig pogen onheil te weren. Ever forward!
 
Zo voel ik me vaak als Alice in Wonderland, door de spiegel gestapt, nu eens kleiner, dan weer groter, al naar gelang van welk koekje ik knabbel. Zo speel ik ook graag wat met tijd. Want die gaat soms langzamer en soms sneller, dat ervaart iedereen, en misschien gaat ze eigenlijk helemaal niet, maar vertel dat je chef maar eens. Dus ik heb een teruglopende klok die een kwartier vooruit loopt. Ik houd me aan de GAT - Generally Accepted Time, maar heb in mijn huis verschillende VLT's - Very Local Times. Ik kan hier zomaar verschillende tijdszones passeren binnen de beslotenheid van mijn huis. Ik heb in mijn leven nog geen horloge gedragen, maar ik kom altijd op tijd, behalve als ik me haast.
 
Dat zijn allemaal geen dingen om lang en diep over na te denken, want dan word je raar.
Maar zo van tijd tot tijd doe ik het toch, en aan het eind van die reis laat ik me graag aanspoelen op het kosmische strand. Om onder de ultraviolette hemel van het Niets zomaar niet te zijn. En dan terug, de grote omwenteling in.
 
Lees meer...   (15 reacties)
"When I see a pretty girl walking down the street, I think two things. One part of me wants to take her home, be real nice and treat her right. The other part wonders what her head would look like on a stick."
Dat zijn woorden van seriemoordenaar Ed Kemper, die zijn grootouders en tenminste zes studentes vermoordde en onthoofdde en zijn moeder in haar slaap doodsloeg met een hamer, waarna hij haar hoofd als dartbord gebruikte. Kemper hield van meisjes. "I love girls. I always shoot pretty girls."
 
Waarom plegen sommige ouders niet gewoon zelfmoord maar nemen ze hun kinderen daarin mee? Gooien het voor de trein, uit het raam, van een balkon in een winkelcentrum, wurgen, verbranden, vergiftigen, verdrinken hun eigen kind? Omdat ze van die kinderen houden. Of dan toch in ieder geval van een waanbeeld van wat dat kind is of zou moeten zijn. Ouders die zo diep depressief zijn dat ze menen hun kind het leven niet aan te kunnen doen. Ouders die zo gestoord zijn dat ze menen dat hun kind is bezeten door demonen en dat elk middel geoorloofd is om het te bevrijden - tot de dood er op volgt als het moet. Ouders die discipline tot zulk een wreedheid verlagen dat het kind allang dood zou moeten zijn voor het daadwerkelijk sterft.
 
En dat is nu net niet het geval. Deze kinderen tonen een overlevingskracht, een veerkracht, uit misschien wel primitieve bronnen - een kracht die hun ouders per definitie missen. Het is hun veerkracht die de ouder tot waanzin drijft. Het is alsof het kind de spot drijft met de bezetenheid van de zieke ouders, al is dat wel het laatste wat het kind zou willen. Het kind wil pleasen, zodat de dreiging verdwijnt en de situatie weer veilig wordt. Maar de zieke ouder wil breken.
 
Van tijd tot tijd wordt de samenleving opgeschrikt door verslagen van kindermoord - en soms oudermoord. Van doorgeslagen pubers, killerclowns, kannibalen, serieverkrachters. Misdadigers die spotvogels schieten. Vermoorden waar ze het meest van houden maar wat ze niet kunnen krijgen.
Zij putten uit dezelfde primitieve bronnen als die waaruit de overlevers putten. Ze gaan daarin zelfs nog een stap terug.
Van oudsher bestaat het instinctieve geloof dat dat wat je doodt [en mogelijk eet] deel wordt van jezelf. Je eigent je de levenskracht toe die behoorde aan het levende wezen dat je doodde. Je eigent je misschien nog uiterlijke kenmerken toe ook - horens, hoeven, tanden, huid, haren. Maar eigenlijk is wat de doder wil bezitten, het wezen van zijn slachtoffer; de ziel. Bezitten wat hij zelf niet heeft en wat hem niet vrijwillig geschonken wordt. Bezitten wat hij intens liefheeft maar uit frustratie en woede over de onbereikbaarheid ervan, even intens gaat haten als liefhebben.
 
Daarom is wat Kemper zegt, vanuit zijn logica niet vreemd of gestoord. Hij houdt echt van die meisjes. Zo intens dat hij ze wil internaliseren, deel maken van zichzelf, totaal bezitten. Maar hij weet, op even primitief niveau, dat wat hij wil niet 'goed' is. Dat het tegen de natuur ingaat. Liefde en haat, angst en woede. Het waanbeeld van de ideale geliefde, eenmaal beschikbaar, moet verminkt worden. Het ideaal mag niet bereikt worden, want dan houdt de wereld op te bestaan.
En Kemper had nog meer spotvogels te schieten. Hij begroef een of meer hoofden van zijn slachtoffers recht onder zijn moeders slaapkamerraam. Hij verklaarde later aan de politie: "Ze wilde altijd dat mensen naar haar opkeken. Nu heeft ze haar zin."
 
Dit soort mensen wordt een vreemde in een vreemd land; hun logica klopt en toch gilt alles "het klopt niet".
 
Zo kan zelfs een lichaamsdeel zich tegen het zelf richten. Eén van de meest bizarre aandoeningen waar ik ooit van hoorde is het "alien hand syndroom". Aangevallen worden door je eigen hand, gewurgd worden in je slaap door jezelf. Geslagen, afgetuigd worden door je eigen, vervreemde hand, je vijand binnen ... wel, armlengte. Wat doe je als je eigen hand zich tegen je keert? Bind je hem vast aan de beddespijlen? Laat je hem verwijderen? En bestaat er daarna nog zoiets als 'phantom alien hand syndrome'? Als je je eigen hand al niet kan vertrouwen, wie of wat kan je dan nog vertrouwen?
 
Gelukkig zijn er vreemden onder ons die het allemaal wat lichter maken en wat humoristischer ook. Daniel Tammet, savant-autist die het boek "Geboren op een blauwe dag" schreef, zag ik in een interview op TV helemaal in opperste verwarring - en besmuikt gelach - raken bij de opmerking "Have a seat". "Heb een stoel." Een onbegrijpelijke opdracht voor een man die fenomenale dingen met cijfers en feiten kan uithalen en IJslands leert in een week.
 
De menselijke geest is een onuitputtelijke bron van inspiratie, verwondering, verbazing, afkeer. Juist de afwijkingen zijn het meest fascinerend maar als je de aberraties interessant vindt en niet wilt dat deze worden geëlimineerd bij ontdekking, zul je moeten accepteren dat de wereld altijd een stukje onveiliger zal zijn - misschien meer dan je lief is. Tenzij daarin je liefde ligt.
 
Het blijft ingewikkeld.
 
 
Daniel Tammet
Op een blauwe dag geboren
ISBN: 9789057122552
222 pag.
2007
Paperback
€ 19,95
 
Lees meer...   (14 reacties)

Ik kan de maand april niet ingaan zonder te denken aan T.S. Eliot, de Amerikaans-Britse dichter, toneelschrijver en criticus [1888 - 1965]. “The Burial of the Dead” uit het magistrale The Waste Land [1922] opent hij met de zin:

“April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.”

Tsjakkaa.

Hij vervolgt met een korte terugblik op de winter:

“Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers.” 

Waar voor velen de lentemaand een bron van hoop en wederopleving is, grijpt Eliot terug op de winter, het inerte seizoen, de tijd voor introspectie. April is onbetrouwbaar. De winter is veel veiliger in zijn beschutting. Dat is in ieder geval wat ik hier lees.
Het vervolg op deze zinnen kan ik nooit lezen zonder lichte huivering. Wat een kracht spreekt uit deze tekst en wat een wanhopig pessimisme: 

“[…]
What are the roots that clutch, what branches grow
Out of this stony rubbish? Son of man,
You cannot say, or guess, for you know only
A heap of broken images, where the sun beats,
And the dead tree gives no shelter, the cricket no relief,
And the dry stone no sound of water. Only
There is shadow under this red rock,
(Come in under the shadow of this red rock),
And I will show you something different from either
Your shadow at morning striding behind you
Or your shadow at evening rising to meet you;
I will show you fear in a handful of dust.” 

April is the cruellest month. En ‘man the cruellest animal’ kan ik niet nalaten daar achteraan te denken. Misschien wel omdat zoveel van de wreedheid van de mens voortkomt uit de onbegrensde stupiditeit, de domheid van de mens. Het is soms onvoorstelbaar dat we het hebben over dezelfde diersoort mens als we kijken naar wetenschappelijke, kunstzinnige, literaire prestaties met daarnaast de onbegrensde zotheid van oorlog en verderf omwille van hersenspinsels of simpelweg hebzucht. En soms is de mens het wreedste dier gewoon omdat hij wreed wil zijn. Omdat het hem makkelijker valt te haten dan lief te hebben, te begeren in plaats van delen, te vernietigen in plaats van bouwen. De mens is de Shiva van de tastbare schepping.

Mijn persoonlijke eerste aprildag valt bleek in het niet bij de schitterende woorden van Eliot. Als ik terugkom van de ochtendwandel met de hond, die ik uitgebreid laat meerennen naast de fiets, dollen op het veld, spelen met stenen en stokken, door de modder baggeren, in het water plonsen en eekhoorns najagen [ach, kon mijn hond bomen klimmen! Dan kon ze die vliegende konijnen eindelijk aan!] en langs het schoolplein fiets – ik ben laat – word ik nagejouwd door een nieuwe lichting kits die me nu voor de verandering eens uitmaken voor ‘dierenbeul’. Dierenbeul? Omdat ik niet met mijn hond de berm in sukkel, haar veel te dik voer en veel te weinig beweging geef, zoals ik de ouders van deze illuminati elke dag zie doen? Je staat versteld hoe vaak je deze negatieve reactie krijgt op het uitlaten van je hond langs de fiets. Ik herinner me een vent die ik elke ochtend op pantoffels en in badjas met twee moddervette retrievers in de berm zag staan. Op een dag kon hij onze enthousiaste passage niet langer verdragen en schreeuwde me toe: “Kun je die hond niet eens fatsoenlijk uitlaten?!” Ik was toen net zo baffled als nu door het nageroepen ‘dierenbeul’. Ik wéét dat het domheid is. Ik wéét dat het nergens op slaat. En toch. Ik overweeg te stoppen om te praten maar zie daar even snel van af. Het zal niets uithalen. Bovendien is het dinsdag. De dinsdag moet mij niet. Dat is inmiddels een historisch bewezen feit.

Ietwat in mineur verlaat ik de hond die nu blij met haar kong aan het rollen is om de brokjes die erin verstopt zijn, te pakken te krijgen. Midden op de drukke weg loopt de driepotige hond van het café om de hoek. Aiai! Maar hij blijkt onderweg naar een dode aangereden kat in de goot. Ah sjit.

En zo draait de dinsdag voort. Niets van wat ik onderneem gaat zonder slag of stoot. En de slagen vallen aan mijn kant, de stoten komen van welke kant ik ook benader. Met als klap op de vuurpijl een knetterende ruzie in de avond die me elke eetlust alweer beneemt. Tuesday is the cruellest day.

In de zachte omarming van het donker lees ik opnieuw Eliot’s woorden. Ik bedenk me dat ik nog stekken moet halen voor in de tuin, en het mos van het gras moet harken om het gras weer adem te geven. Dat het dode riet weer geruimd moet worden zodat het jonge riet omhoog kan komen. Ik maak de basgitaar schoon, die onder de modder zit omdat de hond zich juist daar graag mag uitschudden. Ik bedenk dat ik iedereen zou willen aanraden om The Waste Land te lezen of herlezen. Alles is beter te verdragen wanneer gevangen in de woorden van grote poëten. 
Lees meer...   (10 reacties)
Vandaag zat er een babymeesje midden op het plaveisel in de tuin. Een perfect klein meesje.
Ik stuur de hond weg en pak het voorzichtig op. Het meesje blijft rustig zitten op mijn hand en legt een pootje om mijn vinger. En het valt in slaap, terwijl ik zoek naar een rustige en veilige plaats.  
Ik zet het babymeesje onder de varens, op een restje houtsnippers, in de zon maar niet te warm, buiten bereik van de hond of de eksters en kauwen. Kunnen mama en papa mees hun kleintje makkelijk komen voeren.  
Daar zit het te slapen de hele ochtend.
Als ik 's middags terugkom, zit het meesje er nog steeds.
Als ik 's avonds ga kijken, is het gaan liggen. Meesje is dood.
 
Maar wat een mooie manier om te sterven.
 
 
 
Lees meer...   (16 reacties)
Domeinregistratie en hosting via mijndomein.nl