Kleine voorstelling in de regen
Persoonlijk | Mind
|
21 Maart 2010 | 02:23:22
In de stromende regen begeven we ons op straat voor de nachtwandel. Zelfs de hond heeft het eigenlijk na een halve straat wel gezien, maar ze moet toch echt verder van me.
Aan het eind van de berm maak ik dan toch maar vroegtijdig de draai rechtsomkeerts.
Vlak vóór ons, op maar een paar meter afstand, verschijnt een spierwitte kat. De kat gaat er niet vandoor maar blijft eerst staan en gaat dan, in de regen, midden op de straat zitten. Alsof hij ergens op wacht.
De hond merkt de kat in het geheel niet op. Dat is bizar.
Een tikje bevreemd ga ik verder. Als eveneens schijnbaar uit het niets een fietser te voorschijn komt, houd ik halt, want er is iets niet in orde met de fietser. Al snel wordt me duidelijk wat het is: dit is de meest stomdronken fietser die ik ooit heb gezien.
Ik trek de hond naar de stoep aan de overkant en blijf staan kijken. Kan gewoon niét goed gaan dit. De fietser zwiert in ruime bochten over de straat, in een onnavolgbare golfbeweging. Hij tart de zwaartekracht. Hij stuurt bij met zijn benen. Hij balanceert met zijn armen om het stuur. Telkens als hij bijna de zeiknatte stenen raakt, veert hij weer overeind. Als zo'n dikbuikige tuimelpoppetje waar we vroeger als kleuter nog wel eens mee speelden. Alsof hij aan een touw uit de hemel zit.
De kat zit nog steeds midden op de straat.
De dronken fietser beweegt in stilte. Slechts het geluid van de regen, als applaus voor de acrobatiek van de dronken fietser.
Dan passeert hij de witte kat met een paar geweldig fraaie slidings, wordt bijna geschept door de stoeprand, scheert rakelings langs een lantaarnpaal, herstelt zich. Even. Het applaus zwelt aan tot donder.
Dan is de fietser de hoek om.
Ik kijk naar de hond, die aan een struikje snuffelt. Ik kijk terug naar de straat. De kat is verdwenen. De straat is leeg, op het roffelend vallen en opspringen van de regen na.
Zijn of Iets zijn, dat is de vraag
Persoonlijk | Soul
|
09 Maart 2010 | 03:27:05
"Weet jij eigenlijk wel dat jij een hond bent", vraag ik mijn zeer zijnde hond vlak voor we de deur uit stormen.
Drie maal daags doe ik de 'hebben-we'alles-check': halsband? laarzen? jas? riem? stok? bal? beloonbrokkies? hond!? en mezelf.
De hond kijkt me aan van 'dat is nou echt weer zo'n vraag die alleen mensen kunnen stellen' en werpt zich de straat op.
Vervolgens loop ik te piekeren over mijn vraag.
Volgens mij staan andere diersoorten er geen seconde bij stil dat ze hond, kat, rat, lieveheersbeestje, duif, goudvis of vlo zijn. Ze zijn gewoon wat ze zijn. Heel existentialistisch.
Alleen mensen vragen zich af hoe het zou zijn om hond te zijn, of goudvis. Of je als goudvis bijvoorbeeld denkt dat de rest van de wereld ook onder water staat. Of dat een hond weet dat hij de pest heeft aan katten omdat hij een hond is en dus een taal spreekt die lijnrecht tegenover die van katten staat.
Nu ja; het aantal te bedenken gedachtes is schier eindeloos.
De mens vindt zichzelf dan wel weer het hoogst bereikbare evolutionaire einddoel. Wat verbazing wekt, want per saldo kan de mens nauwelijks iets hebben of hij beschadigt of gaat ten onder. Het enige wat hem dominant houdt, is de enorme hoeveelheid van zijn aanwezigheid en die verdomde technologie. [Maar in het gebruik van werktuigen is hij heus de enige niet.]
Het merkwaardige is dan ook weer, dat hele volksstammen mensen hun halve leven bezig proberen te zijn met zijn. Zen, awareness, onthechting, Be-Here-Now, Zijn Door Niet-Zijn; allemaal oefeningen om gewoon mens te zijn zoals de hond gewoon hond is en de goudvis gewoon goudvis.
Je kunt jezelf zelfs afvragen of al die andere soorten zich zelfs wel bewust zijn dat ze iets 'bepaalds' zijn. Volgens mij is het net iets des' mensen om overal maar namen op te willen plakken. Dat begon al vanaf dat we er waren: zie maar hoe we onszelf in de 'heilige boeken' de rol toebedelen om alles te benoemen.
Het is dus zeer menselijk om wezens, zaken en dingen een naam te geven. Dat is best. Maar soms denk ik, dat we het onszelf daarmee ook wel moeilijker maken dan strict noodzakelijk is.
Al is de orde der dingen natuurlijk buitengewoon prettig om in te leven.
Als ik niet meer wist wie van ons de hond was en wie de mens, zou ik mezelf die verdomde riem om moeten doen, maar de hond heeft geen duimen, dus die kan niet met me weg op de fiets.
En ook: hoe moet het nu toch verder met die arme Eva.
“Arm is het nieuwe rijk”
Persoonlijk | Mind
|
20 Februari 2010 | 02:15:07
“Ik heb dat allemaal gehad, weet je”, zegt de zwerver
plotseling hardop.
Ik wist het niet, maar nu weet ik het wel. Hij heeft het
tegen mij, want verder zit er niemand.
Ik kijk hem aan. Ik ben mijn verplichte rondje pauze aan het
houden. Hij ziet eruit of hij al eeuwen pauze heeft.
“Een baan”, zegt hij. “En alles.”
Ik mompel wat.
“Vrouw. Baan. Huis. Geld. Maîtresse.” Hij hoest. “Gedonder!”
Ik vraag me af wanneer hij me om geld of sigaretten gaat
vragen. Maar dat doet hij niet.
“Ik had te véél”, zegt hij. “Ik had zo veel dat ik arm was
van rijkdom.”
Ik poets een modderpoot van mijn leren jas. De kou is uit de
lucht, het vocht zit weer in de grond. Ik haal mijn pakje sigaretten uit mijn
zak en bied hem een peuk aan.
“En dat wijf van me, nooit tevreden”, vervolgt hij, terwijl
hij mijn aansteker aanneemt. “En ik maar werken. Hoe meer we hadden, hoe meer
ze zeurde. En ik maar werken. En drinken he, en nooit thuis.”
We kijken naar de scherp afbuigende rook van de sigaretten.
Er begint een stevige wind op te steken.
“Nou ja je kent het”, zegt hij.
Ik weet niet zeker of ik het ken, maar ik knik.
“En zomaar ineens, ik sta me te scheren, ik zie die vadsige
verlopen kop van me in de spiegel. Die dikke ontevreden kop van me. In een spiegel
die meer gekost heeft dan die jas van jou. Snap je wel?”
Ik knik opnieuw.
“Weet je wat ik deed”, zegt hij. Ik schud mijn hoofd. “Ik
trok een ouwe trui uit de kast”, zegt hij. “Een ouwe broek. Ik zocht me echt de
oudste kloffie bij mekaar die ik had. Was nog goed zoeken ook.”
Hij blaast een wolkje rook uit. Even doet hij me aan een
tovenaar denken, Gandalf in vermomming.
“Ik trek me al die rotzooi over mekaar aan. Ik ga de deur
uit. Ik douw de sleutels van het huis en van de auto door de brievenbus. En ik
vertrok.”
Ik zie collega’s op de terugweg naar kantoor. Ze zien ons
niet.
“Nooit meer teruggegaan”, zegt hij. Zijn magere gezicht
glanst van intense tevredenheid.
“En weet je wat? Toen ik alles had, had ik niets. Ik zoop
een fles per dag en het deed me niks. Ik vrat de duurste zooi en ik proefde het
niet. Kaviaar, ganzelever, cognac, ach schei uit. Mooie kleertjes, de hele
rimram.
En nou ben ik gelukkig met een bak patat en een fles bier.
Cliché, he. Was er pas haringhappen in de stad, gratis haring, gratis
jenevertje d’r bij. Was ik in de zevende hemel, echt! Een hapje haring en een
kopstootje erachteraan, gratis, de mooiste dag van het seizoen.”
“Niet dat iedereen dat zou moeten doen”, zegt hij, peinzend.
“De nachtopvang, dat is nog het afzien. Al die dronken
idioten op een smerig zaaltje. Schimmels en luizen en kots.”
Ik vertrek mijn gezicht. Hij grijnst een nog helemaal niet
slecht gebit bloot: “Meestal slaap ik gewoon buiten hoor”, stelt hij me gerust.
“Gewoon in het park of onder de brug. Net als in het echies!”
Hij lacht nu voluit. Een klaterende, schorre lach. Een
oprecht gelukkige man.
Ik sta op. Pauze is om. Hij heeft mijn aansteker nog, maar
die mag hij houden - thuis heb ik er nog dertig. Ik verzamel aanstekers.
“Fijne dag nog”, wens ik hem. Ik loop langzaam aan.
“Hé”, roept hij.
Ik kijk om. Hij steekt een hand uit. “Je aansteker!”
Steeds maar sneller
Maatschappij | Mind
|
18 December 2009 | 02:51:50
Sinds deze week kunnen we met de Thalys 'high speed' naar Parijs. Een ritje Amsterdam-Parijs is met drie uur en achttien minuten, éénenvijftig minuten korter geworden. Amsterdam-Brussel: negenenveertig minuten korter. Op volle snelheid gaat het ding driehonderd kilometer per uur.
Drie-honderd-kilometer-per-uur!
Ik wil helemaal geen driehonderd kilometer per uur!
Ik zal niet beweren dat ik een wereldreiziger ben, want dat is niet waar. Ik ben dol op verre en vreemde landen en wilde reizen en al die dingen meer: om naar te kijken, op Canvas en Discovery en National Geographic.
Maar als ik reis, is de reis een evengrote belevenis als het aankomen.
"Onderweg zijn" is een avontuur. Je ziet, hoort, ruikt dingen die je normaal niet ervaart. Je kunt je voorbereiden op je aankomst, in een andere plaats, op een andere plaats. Je maakt van alles mee onderweg.
Onderweg zijn is geen straf. Het is een plezier. Soms een beproeving.
Er zitten maar drie personen in de wachtkamer deze keer. Op het eerste gezicht lijken ze niets met elkaar te maken te hebben. Recht voor me zit een verslonste vrouw van onbestemde leeftijd, afgetobd, muizig. Rechts van haar een jongere vent. Type macho. En tegenover hen een jochie met een lichte tint.
Al snel blijken ze alledrie bij elkaar te horen. De macho heeft het druk met het uitzoeken van een ringtone voor zijn mobiel. De twee anderen geven op verzoek hun mening, die steevast wordt weggehoond door de macho. Uiteindelijk kiest hij voor de luidruchtigste ringtone uit het hele voorbij gekomen repertoire, laat die nog een aantal keren horen, bergt dan het mobieltje op.
"Hangt hier nergens een klok?" zucht de vrouw. "Hoe lang zitten we hier nu al?"
"Zit toch niet zo te zeiken, wijf!" bijt de macho haar toe.
Het jochie maakt zich een beetje kleiner.
"Melkmuiltje" zegt de man.
"Als jij zo blijft zeiken, zal ik je thuis eens even de beentjes breken!" zegt de man tegen de vrouw.
Ze antwoordt niet, kijkt schuchter naar zijn handen.
"He, zagen jullie die lichtflits ook?" fluistert het joch.
De man lacht smalend.
Buiten breekt een oorverdovend onweer los.
"Dat had jij goed gezien hoor!" prijst de vrouw.
De man kijkt haar vernietigend aan. "Echt hoor!" gromt hij. En dan, alsof hij voor een zaal vol publiek spreekt: "Heerlijk, onweer! Lekker! Lekker!!!"
Het joch kijkt schuw opzij. Dan worden ze opgeroepen door hun arts.
"Jij blijft dus even hier en dan mag jij zometeen", zegt de vrouw, en rent achter de man aan.
Het joch staart door het hoge raam naar buiten. Een volgende lichtflits gaat vooraf aan een zeer nabije donder.
Een jonge vrouw baant zich wild hoestend een weg naar de kapstok, rochelt over de jassen heen, spuugt haar kuchsels over de wachtende menigte en verdwijnt in de toiletruimte, waar we haar verder horen blaffen. Nee, die komt niet voor niets bij de dokter.
Een korte stilte.
Dan een bedremmelde opmerking van een onbejaste man:
"Dat wordt straks even de jassen desinfecteren..."
Een brede ma Flodder buigt zich met priemende ogen naar een flink oudere, vredig voor zich uit kijkende heer.
"Hé! Jij woon daar in die flat!"
De heer schrikt op: " Bedoelt u mij?"
"Jajij! Jij woon daar in die flat!"
De heer trekt een wenkbrauw op: "Ik weet niet welke flat u bedoelt. Ik woon niet in een flat. Wat bedoelt u eigenlijk met daar, welke flat?"
Mevrouw geeft luidkeels een toelichting op de flat waarvan zij zeker is dat de oudere heer er woont. De heer ontkent nogmaals in een of die flat te wonen en poogt zijn vredigheid te herwinnen. Opnieuw een korte stilte. Zelfs de rondhoestende toiletdame houdt even in. Dan:
"Toch bejij dat! Jij woon daar! Ik zie jouw elke dag hoor."
Met lichte irritatie in de stem ontkent de man ten derde male daar te wonen.
De vrouw gelooft hem niet. "Waar woon jij dan, huh?!"
De man is halverwege een beleefd afwimpelende zin als hij bij de dokter binnen wordt geroepen. Met zichtbare opluchting verlaat hij de ruimte.
Ma Flodder kijkt triomfantelijk om zich heen. "Dan is 't ze broer! Ze tweelingbroer!"
Dan mag ook zij een artsenruimte in.
De kuchmevrouw zal ik niet meer uit de toiletruimte zien komen. Ma Flodder niet uit het artsenhok. De onbejaste man neemt toch maar, huiverend, zijn jas van de kapstok mee. En de oudere heer die niet in die flat daar woont; hij mijdt de wachtruimte, ik zie hem bij vertrek schielijk de achterdeur nemen - niet op weg naar de flat waar hij niet woont.
Now I need your picture
Persoonlijk | Soul
|
25 Oktober 2009 | 19:35:22
Inka-Vladja van Adelrik
16 juni 1999 - 25 oktober 2009
Inderdaad. Mijn hond is dood.
Hoe begin je zoiets. Hoe eindig je zoiets.
De nacht ging slecht. Weer elk uur de tuin in. De worst met
medicijnen lukte nog maar vanaf zaterdagmorgen wilde ze niks meer eten. En
zondagmorgen kwam ook de worst er weer uitgespuugd. D'r buik was zichtbaar
opgezet, de poep werd steeds vloeibaarder. En toch kwam ze nog aangesjouwd met
d'r op-zes-plaatsen-piephamster. Hebben we nog wat gedold. En dan naar de
dierenarts, onze eigen arts had weekenddienst. "Dan gaat hij even in je buikje
kijken en dan maakt hij je buikje weer heel". Het werd onze laatste wandeling.
Ik was nog maar net thuis, vol bange vermoedens, toen hij al
belde. Een gezwel. Van vijftien bij zeven centimeter. Helemaal aan de rug vast
gegroeid en op een cruciale plaats, een knooppunt van allerlei vitale aderen,
aan de darm. Inoperabel.
Ze hebben op me gewacht en ze heeft haar spuitje gekregen.
Ze heeft niet geleden. Ze heeft het zelfs niet geweten en ik
eigenlijk ook niet.
Dinsdag was er nog niets te voelen. Vrijdag niet. Zo
verschrikkelijk snel kan het gaan.
De enige keer dat ik merkte dat ze pijn had, was
vrijdagmiddag.
Vlad was de bedeesdste uit het roemruchte I-nest, "Beter dan
Ons krijgen ze ze nooit meer gefokt" vonden de I-nesters zelf, geen van allen
behept met veel bescheidenheid. En dat was ook nergens voor nodig. Behalve Enorm
Groot waren ze allemaal Enorm Goed en Enorm Slim. Vlad komt uit een
pakwerkersfamilie, maar op het trainingsveld hing ze gewoon de clown uit. En ik -
ik moest daar altijd om lachen. Een winnend koppel waren we dus niet bepaald.
Maar we hadden wel pret.
Toen ze eenmaal mocht gaan pakwerken, ging ze - met een schuin
oog op het publiek - uitvoerig staan gapen en aan grassprietjes ruiken. Dat ging
zo week na week en wat de pakwerker ook deed, mijn hond verroerde geen snorhaar.
"Hou d'r maar eens héél stevig vast" zei de pakwerker in week
zoveel.
Ik hield haar héél stevig vast.
Hij tiptoede van achteren naar haar toe en rats! kneep haar
stevig in haar vel.
Vlad sprong een halve meter de lucht in en greep de mouw -
zwaar pissed!
Vanaf toen dook ze even enthousiast op de pakwerker als alle
anderen....
We waren geen uitblinkers met appèl en pakwerk, het was gewoon
niet iets wat ons beide enorm dreef - zolang ze luisterde, vond ik het prima.
Uithoudingsvermogen daarentegen, daarin waren we samen geweldig. We hebben
ongelooflijk veel gewandeld, gefietst, lange afstanden, altijd weer nieuwe
routes, zomer en winter, door weer en wind. De laatste twee weken zijn we voor
het eerst in tien jaar tijd niet verder meer gekomen dan omliggende parken.
Van de tuin heeft ze vakkundig een kuilenveld gemaakt. Ik heb
nooit begrepen waar al dat zand bleef. Elke keer gooide ik de kuilen dicht en
steeds weer groef zij nieuwe.
Maar hé, het was uiteindelijk ook háár tuin. Alleen het
stoepgedeelte ondergraven mocht ze niet.
En dan die levenslange liefde voor stenen. Stenen, beton,
cement, in alle vormen en maten. Ze vrat het of het koekies waren. Veel te laat
ontdekte ik dat haar gebit navenant afsleet, maar dat maakte haar beet niet
minder lijp. Die kaken konden een mannenarm breken als een lucifer.
Afgelopen zaterdag groef ze nog een dubbele baksteen op in het
park. Had 'r vier dagen gekost maar zaterdag had ze 'm eindelijk!
Dan ging ze daar mee jongleren, dat je alleen maar scheef
durfde te kijken naar het uitzonderlijk knappe tenenwerk - ik had er al vier
keer al m'n tenen mee gebroken maar zij hanteerde zo'n brok steen als een
veertje.
Ze wist dat haar stenen-obsessie niet hogelijk werd
gewaardeerd maar waar ze ook kwam, zij vond stenen. Midden in het bos. Op het
veld. In de zandbak. Onder het gras.
Zo vrolijk als Vlad kende ik er geen. Altijd enthousiast.
Altijd blij. Altijd spelen. En altijd honger en dan na het eten moest er samen
gespeeld worden, met de piepbal en de piephamster. Eten was pas afgerond nadat
er gespeeld was.
Nu ligt het huis bezaaid met haar speelgoed.
Maar het is leeg en stil. Leeg en stil.
Ik heb nog niets opgeruimd. Wil nog niets opruimen.
De afgelopen dagen verloor ze bij elk blafje een spoor van die
nare zwarte drab en ik heb nog nooit zo vaak gedweild maar ik vond het niet erg.
"Komt allemaal goed, meissie. Komt allemaal
goed!"
Tegen de avond heb ik gestofzuigd. Dat was het enige waar ze
zich rapjes voor uit de voeten maakte.
En dan zet je de stofzuiger weg en je wilt de tuin in en
roepen hé! die gein heeft nu wel lang genoeg geduurd! tevoorschijn! het is al
gedaan hoor!
Maar Vlad is er niet meer.
Dinsdag wordt ze gecremeerd. Zonder andere huisdieren erbij.
Ik wil geen as en geen urn.
Ik heb, van alle mogelijk denkbare plaatsen, foto's gehaald
van mijn hond, en ze her en der al opgehangen en neergezet.
En dan eindig je bij The Doors.
"I won't need your picture
Untill we say goodbye."
Vaar wel, polleke, zotteke, wat moet ik nou toch zonder jou.
De weg kwijt
Persoonlijk | Soul
|
04 Oktober 2009 | 04:16:54
Ik ben een notoire Doler.
Bijkans legendarisch is de anecdote van kleine Wolf die voor moeder een boodschap ging halen bij de slager. Dat zou een trip van een kwartiertje moeten zijn, maar na drieëneenhalf uur was kleine Wolf nog steeds niet terug. Juist was de politie ingeschakeld toen kleine Wolf uitgeteld weer binnen kwam. Zonder de bestelling. [Noot: ik was toen nog geen veggyburger.] Was een complete stedentrip geworden maar de slager had ik nooit gevonden.
Zolang ik mij van punt A naar punt B en vice versa begeef via ruim vooraf gebaande paden, gaat alles best.
Men moet alleen niet gaan opbreken of omleiden.
En ook geen alternatieve kortere routes suggereren!
Bij een opbreking ga ik ijskoud klunen. Het maakt me niet uit of dat door zand, modder, asfalt, beton of vuur moet; ik moet die route volgen dus dat doe ik.
Bij een omleiding krijg je grote gele pijlborden maar die lijken altijd heel ergens anders heen te wijzen dan naar waar ik wil zijn. En als je dan de pijlen volgt, staat plotseling dat gebouw met die klok links van je in plaats van rechts, dus dat kan nooit de goede route zijn. Dan ga ik zelf denken over de route en ja dan gaat het mis.
Onlangs moest ik vanaf de werkplek naar de tandarts. Normaal plan ik de afspraken met deze aangename man zo vroeg mogelijk in de ochtend; ik begeef mij dan vanuit huis naar de praktijk en die route is er al jaren geleden ingestampt door de Hulptroepen Routeplanning. Het was een noodgeval echter dus ik startte vanaf de andere kant van de stad. Een uur later had ik de hele stad drie keer gezien en wijken ontdekt waarvan ik het bestaan nooit had vermoed, maar in de buurt van de tandarts zat ik zelfs niet een beetje. Denk ik. Mijn poot begon al behoorlijk op te spelen en blime, ik ging niet voor niks zomaar spontaan naar de tandarts. Ik belde eerst de charmante assistente van deze man om te melden dat het wat later werd en daarna de Hulptroepen Routeplanning.
"Waar ben je nu dan?"
"Ja dat weet ik dus niet."
"Hoe heet de straat waar je staat dan?"
"Ja dat staat hier nergens. Uh, er is een soort winkel. Ik kan niet ontdekken wat ie verkoopt maar het is Groot."
"<Zucht>"
"Ow er staan witte huizen in de wijk waar ik nu inga. Ziet er wel nieuwbouw uit."
"JA MAAR WAAR ONGEVEER BEN JE DAN NU!"
"Ja als ik dat wist, had ik jou niet gebeld, eh?!"
" ".
Enfin ik kwam die dag nog bij de tandarts. En de vervolgafspraak plande ik voor vertrek vanuit huis .
In bos of veld heb ik dit probleem niet. Bomen blijven doorgaans staan waar ze staan, kanalen en bruggen blijven liggen waar ze liggen en elke boom, elk pad is anders. In de stad lijkt elk groot gebouw, elke straat, elke voorbijganger op de rest. En als je eenmaal ooit op een zijweg van de snelweg hebt gefietst zonder kans op ontsnapping, om te eindigen in een desolaat weiland met een autowrak - ook elke ventweg lijkt op alle andere !
Maar er is wel een voordeel aan mijn gedwaal. Ik kom op plaatsen waar ik normaal nooit gekomen was. Ik zie dingen die ik anders nooit gezien had.
En dan is alles ineens toch een groot avontuur.
Vaak denk ik ow, hier wil ik nog wel eens terugkomen!
Alleen vind ik de weg nooit meer, want ik heb geen idee waar ik was.
Uiteindelijk kom ik altijd waar ik wezen moet. Of moest .
[Die slager heb ik drie decennia later bij toeval gevonden. Ik ben er niet naar binnen gegaan, maar hij bestond dus nog steeds, of ik moet verdwaald zijn geraakt in een ruimte-tijd wormgat.]
Achter het paadje naar het bos is het na zonsondergang
aardedonker. Breed staan de beuken en eiken daar tegen de nachtelijke hemel, in
hun donkere loof de talloze kraaien en kauwen, onder hun ongenaakbare stammen kolonies konijnen die aan hun eigen Waterschapsheuvel onder de snelweg werken.
Daarnaast ligt het veld.
Helaas is het maar gewoon een sportveld. Strak gemaaid,
verse witte lijnen, een gloednieuw hek.
Maar in het donker kan het elk veld zijn.
In het donker wordt het veld onontgonnen terrein.
Vanaf dat veld klinkt soms ’s nachts een ijselijk
geluid.
Ik kan het alleen maar benoemen met: “eerie”.
Eeeerie.
“Angstaanjagend, griezelig” zegt het woordenboek. Maar dat
is niet genoeg. In eerie zit ook nog klam, kil, koud, huiverig,
bevreemdend, verlokkend, akelig, naargeestig, spookachtig, naar.
Bij nachten met weinig wind klinkt het geluid alsof de oude
goden hun wapens slijpen boven een veld van geronnen bloed.
Maar als de wind sterk is en rukt aan de takken met slapende
vogels, klinkt het alsof Dante’s inferno de poorten wijd heeft opengegooid en
alle demonen uit de hel een luchtuurtje uitleven. Dan dansen de duivels,
krijsen tandeloze heksen, brullen de draken en wenen de rusteloze doden. Dan
gaat geen sterveling het paadje in of hij moet een titanische opdracht te
vervullen hebben.
Als de wind mild is en het veld vlam vat door de vonken van
de geslepen wapens, zit de berm plots vol kobolden en ander elvengespuis, is
elke kat een monster en draaien gehangenen zachtjes aan hun boom.
Als de wind sterk is en het veld eerie, kent het
helse pandemonium geen beperkingen.
Bij dag en volle zon is het veld gewoon een sportveld met
vlaggenmasten en vlaggentouwen die bewegen in de wind.
Bij nacht kan het veld elk veld zijn.
Even na half twee 's nachts ga ik de deur uit voor de nachtwandel met de hond.
Het is een mooie nacht; stil, licht bewolkt, de geur van regen als een lentebries in de lucht.
Aan het eind van de straat richting veld loopt een zwalkende gestalte. Hij komt onze kant op - lijkt dronken - ik houd de hond kort om problemen van welke aard dan ook te voorkomen.
Als we dichterbij komen, zie ik dat het een kind is. Het zwalken wordt veroorzaakt door de enorme stapel reclamefolders die hij op zijn armen draagt. Ik geef hem hooguit twaalf. Een beetje tenger, blond, en hoewel evenmin blij met mijn aanwezigheid als ik met die van hem, niet onvriendelijk.
Ik laat de hond weer los aan de lange lijn.
"Zo - jij bent nog laat op pad", zeg ik, want je zegt toch wát in zo'n situatie.
"Ik ga altijd pas gooien als het donker is", zegt de knul. Zijn stem is licht als van een meisje. "Dan is het rustig. Anders word ik heel druk. Ik heb namelijk ADHD."
Ik merk dat hij mij en mijn hond eigenlijk al een menigte vindt waar hij knap onrustig van wordt.
"Dan zal ik je beter alleen laten" zeg ik. Maar dat hoeft niet van hem. Hij wil best even kletsen, ook al schieten zijn ogen af en toe alle kanten op van agitatie.
"Nog een fijne rustige ronde" wens ik als hond en ik tenslotte doorlopen. Hij wenst ons een fijne wandeling. Een fijne knul.
Ik heb een "nee - nee" sticker op mijn voordeur dus daar hoeft de jongen niet te gooien. Als we terugkeren op honk, is hij al helemaal aan de andere kant van de straat bij de stoplichten waar geen enkele auto staat.
Als ik ooit na twaalven toch reclamefolders in de bus gedonderd krijg, zal ik mij niet ergeren. Ik zal glimlachen en heel zachtjes het licht uitdoen.